Droogte in zandgebieden van Zuid-, Midden- en Oost-Nederland in 2018 en 2019

Samenvatting van maatregelen en aanbevelingen

13 november 2021 – In de jaren 2018, 2019 en 2020 was er is sprake van droogte op de hoge zandgronden van Nederland in Zuid-, Midden- en Oost-Nederland.  Onder verantwoordelijkheid van het Deltaprogramma Zoetwater is het rapport ‘Droogte in Zandgebieden’ opgesteld.

Belangrijkste conclusie: ad-hoc ingrepen in het waterbeheer vlak vóór of tijdens droog weer kunnen verdroging nauwelijks voorkomen. Ook maatregelen alleen in de leggerwatergangen werken onvoldoende door richting het grondwatersysteem. Ad-hoc ingrepen op (grond)wateronttrekkingen, zoals beregening, hebben wel sneller effect.

Droogte: wat moet er gebeuren?

Maatregelen die bijdragen aan het verminderen van droogteschade zijn:

  1. water tijdig, meer en langer vasthouden in de bodem (sparen/bufferen); maatregelen die hiertoe leiden, doorvoeren tot in de haarvaten van het watersysteem
    .
  2. Grondwateraanvulling in infiltratiegebieden aanmerkelijk vergroten door verdamping te verminderen en daar waar het verantwoord kan (kunstmatig) water te infiltreren in hoge gebieden
    .
  3. Druk op het grondwater verminderen door grondwateronttrekkingen voor drinkwater, proceswater en beregening te reduceren in en om gebieden die gevoelig zijn voor droogteschade;
    .
  4. Bufferzones rondom natuurgebieden vergen maatwerk qua omvang, inrichting en beheer.

Voor structurele aanpassingen van het watersysteem is een intensieve samenwerking nodig tussen waterbeheerders zoals provincies en waterschappen én boeren. Boeren bewerken het meeste land, hebben de meeste kilometers aan watergangen (70 tot 80%) en de meeste beregeningsputten. Boeren bepalen vaak zelf de ontwatering van hun eigen land via drainagemiddelen en kavelsloten.

Het waterschap is verantwoordelijk voor alle watergangen en kan beleidsregels maken en toepassen die de ontwatering op kavelniveau beperken, via drainagebuizen of stuwen in kavelsloten. De Legger Watersysteem biedt mogelijkheden om randvoorwaarden op te leggen aan breedte en (vooral) diepte van watergangen in particulier beheer. Van deze beleidsruimte wordt nog weinig gebruik gemaakt.

Opgedroogd meer (bron: Pixabay)

 

Aanbevelingen

Bij een transitie naar aangepaste inrichting en adaptief waterbeheer moet steeds de balans worden gezocht tussen het voorkómen en accepteren van wateroverlast en het beperken en accepteren van droogteschade. Ook acceptatie van landbouwschade, zowel aan de droge als aan de natte kant, kan nodig zijn.

De uitdaging ligt onder meer in de verschillende tijdschalen waarop droogte en wateroverlast zich manifesteren: wateroverlast komt en gaat snel, terwijl droogte langzaam intreedt en lang naijlt: wateroverlast is een vlugdief, droogte een sluipmoordenaar.

  1. Op nationale schaal zijn verdroging, verzilting en bodemdaling uitingsvormen van dezelfde activiteiten: ontwateren en afwateren.
    .
  2. Het ligt voor de hand de noodzakelijke watertransitie te combineren met transities inzake ruimtelijke inrichting, infiltratie van regenwater, meststoffen, energie, emissie van broeikasgassen en landbouw.
    .
  3. Rijk, provincies, waterschappen én landeigenaren (boeren) dienen de handen inéén te slaan, met voor elke partij een duidelijke verantwoordelijkheid, én met een regisseur.
    .
  4. Waterschap en provincie moeten de actuele toestand van het watersysteem monitoren (bodemvocht, grondwaterstand, stijghoogte en beekafvoer); en alle onttrekkingen uit oppervlaktewater en grondwater registreren.
    .
  5. Provincies in het zandgebied moeten gezamenlijk het voortouw nemen inzake strategisch en operationeel grondwaterbeheer.
    .
  6. Provincies, waterschappen en drinkwaterbedrijven moeten samenwerken op het vlak van watergebruik, beheer en inrichting van het watersysteem.
    .
  7.  Het beheer van oppervlaktewater en van ondiep én diep grondwater dient meer in samenhang te geschieden (waterschappen en provincies zijn aan zet). Als grondwaterstanden omhoog worden gebracht zal niet elk gewas nog op elke plek mogelijk zijn.
    .
  8. De belangrijkste maanden om water vast te houden zijn februari en maart, omdat deze meestal een neerslagoverschot kennen én omdat dit de maanden zijn waarin landbewerking voor de landbouw start.
    .
  9. In de mestwetgeving is het toegestaan is om vanaf 15 februari meststoffen toe te dienen. Nieuwe regels voor uitrijden van mest en/of extra opslag van dierlijke mest bieden mogelijkheden voor maatregelen in de haarvaten van het watersysteem.
    .
  10. Verdroging van natuur, emissie van broeikasgassen, het stikstofdossier en klimaatveranderingen met onder andere meer en vaker droogte tot gevolg, moeten integraal worden opgepakt, bijv. in een nieuw ‘Deltaplan Robuust Nederland’.
    .
  11. Na de ruilverkavelingen en landinrichtingen in het verleden, na het Nationaal Bestuursakkoord Water en het programma ‘Ruimte voor de Rivier’ is het tijd voor additioneel omdenken en investeringen in het regionale en lokale watersysteem, bijvoorbeeld met een programma ‘Ruimte voor de Beek’.

Doe mee met de AWP !
AWP voor water, klimaat en natuur
Voor maar 45 euro per jaar
Jongeren: 25 euro per jaar
Plus welkomstkorting!

Word lid!

AWP wil belasting op leidingwater voor bedrijven

Opinie 8 aug. 2022 - Door klimaatverandering staat Nederland de komende jaren voor grote uitdagingen op watergebied, zoals kurkdroge zomers, een dalende ...

Nederlanders verbruiken meer drinkwater dan Belgen

Nieuws 5 aug 2022 - De zomer van 2022 is droog, boeren mogen niet meer sproeien en de rivieren staan laag. Zuinig omspringen met drinkwater is nuttig en ...

AWP wil veel meer aandacht voor schoon en gezond water

Opinie 1 aug 2022 - Bijna alle rivieren, meren en sloten in Nederland voldoen niet aan de Europese kwaliteitsnormen, wat sancties als vergunningstops tot...